Jef Geeraerts, Ik ben maar een neger

Lezers

Naam ↑ Cijfer Gelezen in
acdc 27 2010
Lemoine 20 2008

Oorspronkelijke taal: Nederlands
Verschenen in: 1966
Pagina's: 191
Score: 47
Aantal lezers: 2

Recensies

Recensie van Lemoine (waardering: 20)
Leuk verhaal wat op drie kwart een beetje inzakt.


De protagonist is Gregoire Matsombo een zwarte arts die stad ontvlucht naar een oerwoud dorpje, nadat de Belgen zijn gevlucht. Zijn elitaire, wat niet meer lijkt dan op een laagje vernis, wordt langzaam maar zeker afgeschaafd en Gregoire wordt op hardhandige wijze gedwongen om zich aan te passen aan de wetten van het dorp.


In het boek wordt blank noch zwart gespaard. De blanken omdat ze dom en overheersend zijn, de zwarten omdat ze een stelletje ongeregeld zijn die nadat de Belgen zijn vertrokken de situatie alleen maar verergeren. Vooral hoofdstuk XV (13 pagina's) is hard naar beide kanten toe.

Citaten

Vroeger vonden wij, deftige burgers, bescherming bij de soldaten. Nu blijf je het best zo ver mogelijk uit hun buurt.
Een ruige, tuchteloze bende. Eeuwig en altijd met helmen en geladen geweren. En dan die smoelen...
Dat schokt me als intellectueel, franchement.
pagina 21

Neen, de blanken zijn geen kerels.
Een Budja-Balanga toont zijn borst en zegt:'Werp de speer, hier is een luipaard.'
Zij zijn gevlucht als honden.
Neen, het zijn geen kerels. Nu kunnen we geen respect meer voor de blanken hebben. Nu weten we dat ze het evengoed in hun broek kunnen doen en wit zien van schrik en op hun knieen vallen ... . Ja, er zijn enkele zaken veranderd in die acht maanden.
pagina 20

Ik heb dokter Werhter eens gevraagd, wat die missie-paters hier eigenlijk bij ons kwamen uitrichten.
Aan Werther durfde ik zoiets te vragen. Hij was vrijdenker en bovendien Fransman. Met Belgen kon je nooit zo vrijuit praten. Belgen waren vals en onberekenbaar. Geboren kolonialisten.
Maar zín antwoord was niet erg duidelijk en het heeft me niet bevredigd.
pagina 49

Voorgoed gedaan met geintjes als: ik zal de bliksem op je hut laten vallen, je zult dit jaar nog sterven als je je niet verzoend met God, je draagt een kwade ndoki in je en je behekst er je omgeving mee.
Een zwarte, die zoiets verschrikkelijks zou uitspreken, zou terstond de gifproef moeten ondergaan of zou doodgestoken worden, maar als een pater zoiets uitkraamde, deed niemand een bek open.
En het is nom de Dieu, gedaan met het kapotslaan van de trommels en het verbieden van dansen, het enige verzetje dat je in zo'n negerij middenin het bos hebt.
Gedaan met het vernielen van brandewijnstokerijen, want een stuk in je kraag zuipen was ook al een zonde.
Alles was een zonde bij die witrokken.
Gedaan met het leeghalen va de hutten der tovernaars, en het openbaar verbranden van de amuletten op het dorpsplein en de collectieve bedreigingen met hellestraffen, als er nog gedanst of gezongen of gelachen of gedronken werd.
Na zonsondergang mocht er alleen maar gevreten en gemaft worden als er zo'n toverdokter met witte toog in de buurt sliep en 's morgens na de mis werden de vaders van loopse grietjes aangepakt dat hun oren ervan tuitten.
Religieus fanatisme!
pagina 48

'Congo, het paradijs van Afrika,' zeiden de blanken.
Meenden die dat of lachten ze ons uit?
pagina 58

Een man vergeeft het soms een vrouw dat ze lelijk is, maar nooit dat ze niet pittig is, ...
pagina 92

'Wij zijn sluw en nemen geld aan zonder ons hart te verkopen, wan een hand die neemt wordt nooit moe. Ze roepen ons naar Moskou en Brussel om te studeren en we ontbloten vriendelijk ons gebit. Als een luipaard zij tanden laat zien, betekent het niet dat hij lacht. We doen kennis op aan hun universiteiten en een terug in Congo spuwen we op Moskou en Brussel, want wij zijn Afrikanen, alleen maar Afrikanen en dankbaarheid kennen we niet, want dankbaarheid is zwakte.
pagina 117

Traag heupwiegend, een mooie lichtblauwe sarong strak gespannen rond haar lange dijen, de lichtgeoliede schouders naakt boven een wit kanten blousje, de ogen met zwart bijgewerkt, rode puntjes op haar wangen, gaat Marie-Jeanne van Bodede de helling van Bosia op.
Ze werkt bevallig met haar gladde armen en haar hoofdje wiegt koket. Ze steekt haar lippen een beetje preuts vooruit en haar amandelogen staan lui.
Ze neuriet een eentonig liedje, klaagelijk en melancholiek.
...
Ze komt het dorpsplein van Bosia opgewiegd en lacht eens naar een breedgebouwde neger, die voor zijn hut in een ligstoel uitgerafelde mokosaslierten tot touw zit te rollen en hij roept:'Oyo mwana mwasi te, oyo nde logo (Dat is geen vrouw meer, dat is de dood).'
pagina 80

"Vrouwen zijn als honing, het is lekker maar het kleeft."

Ontwikkeld door Haverweb - Design: Olga Willemsen