Anne Frank, Het Achterhuis

Lezers

Naam ↑ Cijfer Gelezen in
sluis 30 2007
Visje 25 1975
Lemoine 23 2008
acdc 20  
brunink 20 2000
frankie 15 1980

Oorspronkelijke taal: Nederlands
Verschenen in: 1947
Pagina's: 303
Score: 133
Aantal lezers: 6

Recensies

Recensie van Lemoine (waardering: 23)
Het boek is eigenlijk te mooi om waar zijn. Het begint een paar maanden voordat ze onderduiken en het eindigt een paar maanden voor de bevrijding. Het gaat over een kind, uit een gegoede familie, in overgang naar het vrouw zijn zonder het ooit te bereiken, gesitueerd op een onderduikadres waar ze het naar omstandigheden redelijk goed heeft; er is ruimte, er is eten. In haar spaarzame zinnen over de buitenwereld zijn er een hoop mensen op dat ogenblik die het een stuk slechter hebben. Het is een drama, maar er komt ook romantiek in voor. Op wikipedia (jawel!) las ik dat A. Frank haar dagboek later heeft herschreven (of geredigeerd). In het dagboek geeft ze ook aan dat ze er later meer mee wilde doen. Tijdens dit proces heeft ze het waarschijnlijk ook iets afstandelijker gemaakt en zinnen verbeterd. Het is een goed verhaal met vele facetten en het is goed geschreven. Niet zoals verwacht wordt van een kind. Daarom kan ik me heel goed de gedachtes voorstellen dat dit verhaal niet echt zou zijn. Des te meer respect voor de schrijfster.
Het boek is voorbij op te splitsen in twee gedeelten. Een de ontwikkeling van Anne's psyche en twee het leven als onderduiker. In het eerste gedeelte van het boek interesseert het leven als onderduiker voor mij vooral waarna er geleidelijk een verschuiving komt en de ontwikkeling van Anne meer domineert. De overige leden van het huis komen dan veel minder prominent voor.
(uitgever: B.Bakker, jaar van uitgave: 1987)

Recensie van sluis (waardering: 30)
Voor een veertienjarige een geweldige prestatie. Niet zozeer een boek over oorlog, jodenvervolging en onderduiken, maar veel meer een kijkje in de psyche van een een vrouw in wording.

Citaten

Ik geloof, vader, dat je een verklaring van mij verwacht, ik zal je die geven. Je bent teleurgesteld in mij, je had meer terughouding van mij verwacht, je wilt zeker, at ik net zo ben als een veertienjarige behoort te zijn, daar vergis je je in!
Sinds we hier zijn, vanaf jli 1942 tot een paar weken geleden, had ik het heus niet makkelijk. Als je een wist, wat ik 's avonds niet gehuild heb, hoe wanhopig en ongelukkig ik was, hoe eenzaam ik me voelde, dan zou je wel kunnen begrijpen dat ik naar boven wil! Ik heb het niet van de ene op de andere dag klaargespeeld, dat ik zover gekomen ben, dat ik helemaal zonder moeder en zonder de steun van wie dan ook kan leven; het heeft me veel, veel strijd en tranen gekost om zo zelfstandig te worden, als ik nu ben. Je kunt lachen en me niet geloven, het kan me niets schelen, ik weet dat ik een mens alleen ben en ik voel me niet voor een cent verantwoordelijk tegenover jullie. Ik heb je dit alleen verteld, omdat ik dacht dat je me anders stiekem vond, maar voor mijn daden heb ik alleen verantwoording tegenover mezelf af te leggen.
Toen ik moeilijkheden had, hebben jullie, en ook jij, je ogen dichtgedaan en je oren dichtgestopt, je hebt me niet geholpen, integedeel, niets dan waarschuwingen heb ik gekregen, dat ik niet zo luidruchtig moest zijn. Ik was luidruchtig, laaen om niet aldoor verdrietig te zijn, ik was overmoedig om niet steeds die stem van binnen te horen. Ik heb komedie gespeeld, anderhalf jaar lang, dag in dag uit, ik heb niet geklaagd, ben niet uit m'n rol gevallen, niets van dat alles, en nu, nu ben ik uitgestreden. Ik heb overwonnen! Ik ben zelfstandig naar lichaam en geest, ik heb geen moeder meer nodig, ik ben door al die strijd sterk geworden.
En nu, nu ik erbovenop ben, nu weet ik dat ik uitgevochten ben, nu wil ik ook zlef mijn weg verder gaan, de weg die ik goed vind. Je kunt en mag me niet als veertien beschouwen, ik ben door alle narigheid ouder geworden; ik zal geen spijt van m'n daden hebben, ik zal handelen zoals ik denk dat ik dat kan doen!
Je kunt me niet zachtzinnig van boven weghouden, f je verbiedt me alles, f je vertrouwt me door dik en door dun, laat me dan ook met rust!
(5 mei 1944)
pagina 251

vrijdag 25 september 1942
... Ik ga 's avonds wel eens naar de Van Daans toe om een beetje te praten. Dan eten we mottenkoekjes met stroop (deze trommel koekjes stond in de klerenkast die ingemot was) en amuseren ons. Pas ging het gesprek over Peter. Ik vertelde dat Peter me zp vaak over m'n wang streek en dat ik daar niet van houd. Zij vroegen echt op een oudermanier of ik niet van Peter kon houden. Ik dacht 'O jee!' en zei 'O nee!' Stel je voor! Toen zei ik dat Peter een beetje harkerig deed, en dat ik dacht dat hij verlegen was. Dat is met alle jongens die nog niet vaak met meisjes omgegaan zijn.
pagina 42

vrijdag 9 oktober 1942 ... Als 't in Holland al zo erg is, hoe zullen ze dan in de verre en barbaarse streken leven waar ze heengezonden worden? Wij nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt over vergassing, misschien is dat wel de vlugste sterfmethode.
pagina 54

Hoe goed hebben we het hier, hoe goed en rustig.
We hoefden ons van al deze ellende niets aan te trekken, als we ons maar niet zo bang maakten om allen, die ons zo dierbaar waren en die we niet meer kunnen helpen.
Slecht voel ik me, dat ik in een warm bed lig, terwijl mijn liefste vriendinnen ergens buiten neergegooid of neergevallen zijn. Ik word zelf bang als ik aan leen denk met wie ik me altijd zo innig verbonden voelde en die nu overgeleverd zijn aan de handen van de wreedste beulen die er bestaan.
pagina 75

(...)en zoek aldoor naar een middel om te worden zoals ik erg graag zou willen zijn en zoals ik zou kunnen zijn, als ... er geen andere mensen in de wereld zouden wonen
pagina 269

Vader, moeder en Margot laten me dan bij tijd en wijle onverschillig, ik dwaal van de ene naar de nadere kamer, de trap af en weer op en heb een gevoel als een zangvogel, wiens vleugels hardhandig uitgerukt zijn en die in een volslagen duisternis tegen de spijlen van zijn nauwe kooi aanvliegt. 'Naar buiten, lucht en lachen', schreeuwt het in me. Ik antwoord niet eens meer, ga op een divan liggen en slaap om de tijd, de stilte, de verschrikkelijke angst ook, te verkorten, want te doden zijn ze niet.
pagina 129

Op de terugweg liep Henk toevallig even bij onze aardappelleverancier om de hoek aan en vertelde dat er ingebroken was. 'Dat weet ik', zei deze doodleuk, 'ik kwam gisteravond met mijn vrouw langs uw perceel en zag een gat in de deur. Mijn vrouw wou al doorlopen, maar ik keek even met de lataarn; toen liepen de dieven meteen weg. Voor alle zekerheid heb ik de politie maar niet opgebeld, daar ik dat bij u niet wou doen, ik weet wel niets, maar ik vermoed veel'.
pagina 215

Ik vraag me steeds weer af, of het niet beter voor ons allemaal was geweest als we niet waren gaan onderduiken, als we nu dood waren en deze ellende niet meemaakten, vooral, omdat dan onze beschermers geen gevaar meer zouden lopen. Maar ook voor die gedachte deinzen we allen terug, we houden nog van het leven, we zijn de stem van de natuur nog niet vergeten, we hopen nog, hopen op alles. Laat er nu gauw wat gebeuren, desnoods schieten, dat kan ons niet mr vermorzelen dan deze onrust doet. Laat het einde al is het hard, dan weten we tenminste of we uiteindelijk zullen overwinnen of ten onder gaan.
pagina 246

Een troost is mij gebleven, al is hij maar schraal: mijn vulpen is gecremeerd, net wat ik later zo graag wil!
pagina 133

Ontwikkeld door Haverweb - Design: Olga Willemsen